Nederland, kernwapens en de NATO
Het Internationaal Gerechtshof deed op 8 juli 1996 een uitspraak inzake de rechtmatigheid van de bedreiging met of het gebruik van kernwapens.
Onderstaande tekst is een citaat uit ProcesNieuws nr. 49 (september 1998) van Meindert Stelling, voorzitter van het Tribunaal voor de Vrede, over de opvatting van Nederland over de uitspraak.
De Nederlandse regering stelde zich op het standpunt dat de uitspraak van het Hof volkomen in overeenstemming is met de NAVO-strategie.
Dit is een apert onjuiste voorstelling van zaken.
In de NAVO-strategie wordt nog steeds uitgegaan van de mogelijke inzet van kernwapens tegen doelen in stedelijke gebieden. Zelfs wordt nog uitgegaan van inzet van nucleaire massavernietigingsmiddelen tegen steden. Dit komt er feitelijk op neer dat, in weerwil van het meest fundamentele beginsel van het humanitaire recht, de burgerbevolking tot doelwit van de militaire operatie wordt gemaakt. Dit is zonder enige twijfel een misdadige strategie.Nog steeds wordt ook gesuggereerd dat de uitspraak van het Hof inhoudt dat de inzet van kernwapens op rechtmatige wijze zou kunnen plaatsvinden. Zoals hierboven [...] is uiteengezet is dit een apert onjuiste voorstelling van zaken. Het Hof heeft integendeel uitgesproken dat die inzet in het algemeen onrechtmatig zal zijn en in ieder geval 10 van de 14 rechters hebben niet de stelling willen onderschrijven dat die inzet van kernwapens wel rechtmatig zou kunnen zijn in de extreme situatie dat het gaat om de verdediging tegen de fysieke vernietiging van de staat.
Het is dan ook niet voor niets dat de president van het Hof in zijn individuele verklaring nadrukkelijk het volgende heeft gesteld.
"Ik kan niet genoeg de nadruk leggen op het feit dat het onvermogen van het Hof om verder te gaan dan de constatering die het heeft gedaan, op geen enkele wijze zo uitgelegd mag worden dat daardoor door het Hof de deur op een kier wordt gezet voor erkenning van de rechtmatigheid van de bedreiging met of het gebruik van kernwapens."