Met meel, rijst en water naar de spookstad Ramallah Dat kleine meisje, dat achter een lantaarnpaal kruipt als wij langskomen...de angstige uitdrukking op haar gezichtje...
United Civilians for Peace
16 april 2002Via een van onze partnerorganisaties, de MECC (Middle East Council of Churches) horen wij vrijdag 12 april dat we meekunnen op een klein voedseltransport naar Ramallah. Via kerkelijke organisaties is er geld ingezameld voor noodhulp, en dat zullen wij afleveren bij twee kerken, de Grieks-katholieke en de St. Andrew Episcopal church. Deze kerken zullen het voedsel bezorgen bij (moslim en christelijke) families met de hoogste nood, zodra het uitgaansverbod weer wordt opgeheven. Israël houdt een grote stad als Ramallah al sinds 29 maart bezet, houdt 24u per dag een uitgaansverbod in stand (wie buiten komt loopt het gevaar beschoten te worden), en is eens in de 4 dagen zo 'goed' om de mensen voor een paar uur vrij te laten. Maar omdat de stad nog altijd grotendeels blijft afgesloten voor de buitenwereld, is er dus ook geen normale aanvoer van verse groenten en fruit, melk, vlees...noem maar op. Dat komt immers van de boeren buiten de stad. En ook de andere voorraden zijn na een week wel uitgeput. De winkels zijn leeg, of geplunderd door het leger. Ik hoor van mijn familie dat ze in lange rijen staan voor de winkels die nog wat hebben tijdens de uren dat ze 'losgelaten' worden. Russische toestanden. Het lijkt ons dus een prima idee om mee te gaan. Door onze aanwezigheid heeft Ramsi Zananiri van MECC meer kans om de spullen binnen te krijgen, en het is voor ons een goede gelegenheid om waar te nemen. We zullen in totaal met 9 mensen gaan: 4 Palestijnen en 5 van ons. Onze paspoortnummers en de nummerplaten van de 2 trucks en het begeleidende busje worden doorgegeven aan de Isarëlische commandant in Ramallah, en Ramsi stelt alles in het werk om toestemming ('clearance') te krijgen. Een joodse vrouw uit het linkse kamp die werkzaam is op de 'civil administration' en bevriend met Ramsi, blijkt van grote waarde te zijn bij het regelen van de contacten.
Zaterdagochtend worden twee trucks bij de St.Rosary school ingeladen door een stel enthousiaste vrijwilligers. Samen met de UCP-ers wordt een mooie keten gevormd en gestaag vullen de trucks zich met in totaal 10.000 kg rijst, meel, olie, melk, water, brood, linzen en wat al niet meer. Ramsi heeft toestemming gekregen. Op zich zegt dat nog niet zo heel veel, want afgelopen weken was noodhulp al vele malen ontzegd aan de bezette steden. (Een vorm van collectieve straf, anders kan ik dat niet zien.) Ik word uitgenodigd om voorin naast Ramsi te komen zitten: mochten er schietgrage scherpschutters opdoemen, dan is het beter om een duidelijk Westers ogende vrouw in beeld te hebben (ik aanvaard dit verzoek resoluut maar inwendig wat bibberig). Ook naast de vrachtwagenchauffeurs wordt een waarnemer geplaatst. Wij zijn allemaal wat gespannen. Wat zouden we aantreffen?
We krijgen allemaal een Vaticaanse vlag op het voertuig voor de broodnodige zichtbaarheid en ter bescherming (hoe relatief ook, want het leger heeft zich de afgelopen tijd nergens meer iets van aangetrokken, of het nu de VN, het Rode Kruis, kerkelijke organisaties, diplomaten, journalisten, etc. waren). We gaan op weg. Ramsi zegt: 'We hebben geluk dat Powell vandaag niet naar Ramallah gaat, want dan zou de veiligheidsmaatregelen nog versterkt zijn.' Op het moment dat wij gaan is het uitgaansverbod wel van kracht, dus we hopen maar dat ook de soldaten in Ramallah op de hoogte zijn van het transport. Het begin is hoopgevend. Na wat over-en-weer-gebel aan het checkpoint Qalandia, mogen we, na uitgebreide inspectie op explosieven, Ramallah in. Rare gewaarwording om weer door dat vreselijke stuk niemandsland te gaan, 15 dagen na ons gedwongen vertrek. Wat zouden we aantreffen? We moeten ons houden aan een afgesproken route, dus een echte 'factfinding mission' kan het niet zijn. We rijden heel langzaam (minder bedreigend) en met de knipperlichten aan. In de dorpjes voor Ramallah zijn geen tanks en zien we wat mensen op straat. Naarmate we dichterbij Ramallah komt raakt het uitgestorven. Hier en daar wat kinderen, die rondzwerven tussen alle afval en puin van de door de tanks kapotgereden stoepen en muurtjes. Ineens dat meisje - de schrik levensgroot op haat gezicht, ze duikt weg achter een lantarenpaal als ze ons ziet. Van die kleine momenten die soms meer zeggen dan een ellenlang verhaal over de gruwelen van een oorlog.
We rijden het centrum van Ramallah in - de altijd zo bruisende stad biedt nu een naargeestige aanblik. Overal vernielingen, glas, puin en afval op straat, hier en daar zwartgeblakerde gebouwen. Opengebroken winkels, kogelgaten, een puinhoop van wat eens de groenten- en fruitmarkt was, tanksporen...heel voorzichtig nemen we foto's door de ruiten van het busje heen. Niet provoceren is het advies. Israelische scherpschutters zijn overal, en de tanks (meer dan 200) zijn nog altijd in Ramallah. Plotsklaps staan we oog in oog met pantserwagens: 5 op een rij. Het is shabbath, misschien zijn de mitrailleurs daarom onbemand. Langzaam rijden we voorbij. Dan in een steegje drie grote tanks, de loop op ons gericht. Ik ben echt bang van dat wapentuig. Toch maar even stoppen. Een heel jonge en vermoeid ogende soldaat komt naar ons toe. We geven de papieren, zijn collega gaat het checken. We praten even met hem. Zijn naam is David, 19 jaar. Als ik vraag hoe hij zich voelt, zegt hij: 'Ik heb er meer dan genoeg van, ik ben moe van deze oorlog. Maar weet je, het Westen begrijpt niets van onze operaties. We willen alleen het terrorisme uitroeien, we willen geen onschuldige burgers doden! Maar soms gebruiken de terroristen vrouwen en kinderen als menselijk schild, en dan sneuvelen ze zonder dat wij dat willen.' Ik denk aan al die keren dat ongewapende mannen, vrouwen, kinderen zonder enige duidelijke aanleiding zijn beschoten, aan de artsen en verplegers die gewonden van straat proberen te halen en worden beschoten, en met lede ogen moeten aanzien hoe mensen op straat doodbloeden, ik denk aan de journalisten die worden beschoten, ik denk aan het verhaal dat ik van mijn vriend Hudaifa hoorde dat 61 mannen, vrouwen en kinderen in een gebouw in Ramallah door het leger als menselijk schild zijn gebruikt om Palestijns geweervuur onmogelijk te maken...maar ik zeg niets. Sinds enige tijd heb ik besloten alleen naar Israëlische mensen te luisteren, en niet met hen in discussie te gaan. Het heeft momenteel geen zin, want driekwart van de bevolking spreekt Sharons taal (in elke zin drie keer het woord terrorisme gebruiken). En het is beter voor mijn eigen gemoedsrust.
We arriveren bij de eerste kerk, waar de eerste truck zal worden uitgeladen. Wij gaan door naar de Grieks-katholieke kerk, waar tevens een school en een klooster binnen de muren zijn gevestigd. De priester is erg blij met onze komst. Tijdens het uitladen leidt hij mij rond in de school. Het leger is gisteren nog komen inspecteren of er geen wapens of 'terroristen' waren verborgen, op de gebruikelijke ruwe wijze: deur uit de voegen getrapt (meestal gebruiken ze explosieven, de deurbel weten ze niet te vinden), laden en kasten omgegooid en doorzocht. Zelfs in de peuterzaal is het speelgoed overhoop gehaald. Na anderhalf uur waren ze onverrichterzake weer vertrokken.
De terugweg is nog even spannend. Als we op een pleintje komen, staan we oog in oog met een pantserwagen die de machinegeweren op ons gericht houdt. Tegelijkertijd doemt van achter ons een Israëlische scherpschutter op, die zijn collega's in de tank wat toeschreeuwt. De uitdrukking op zijn gezicht voorspelt niet veel goeds, evenmin als zijn geweer dat hij in de aanslag houdt. Een zeer bedreigend gevoel.We stoppen onmiddellijk en blijven zoals afgesproken rustig wachten in ons busje (collega-waarnemer Eelco: 'Geen onverwachte bewegingen maken hè!'). Een van de soldaten uit de tank komt met zijn vinger aan de trekker op ons af. Hij bekijkt de papieren, de nummerplaten, de paspoorten...gelukkig spreekt Ramsi Hebreeuws, en blijft hij heel rustig en beleefd. Dat is het beste! De heetgebakerde scherpschutter ontspant nu ook wat. Na een telefoontje met de commandant mag de kleine karavaan weer verder. Tot aan het checkpoint blijven we ramen en muurtjes in de gaten houden op scherpschutters. Met een zucht van verlichting bereiken we Qalandia. Missie geslaagd.
As long as lions don't have their own historians, the tales of the hunting will always glorify the Hunter (African proverb)
Heleen ter Ellen,
16 april 2002