Maandag in Jeruzalem
Sonja van Wier, 17 januari 2005.
Het is maandagochtend. In Jeruzalem zit ik op de daktuin van het Lutheran Hospice, een soort jeugdherberg hartje stad. Vlakbij de goudglanzende Rotskoepel, fraai door de ochtendzon weerkaatst. Op de voorgrond in een van de smalle straten loopt een zwartgeklede, dus orthodoxe jood met aan zijn oor een mobieltje. Een deel van de oude tijden keert nooit weerom. Overal rondom ons kerktorens, gebouwd op heilige plaatsen. Ze torenen boven de huizen uit, evenals de vele schotels en de enkele zendmast.
Op het randje van een dak op nog geen vijftien meter van ons vandaan zitten op het randje tientallen Israelische soldaten. Ze luisteren naar de uitleg van een vrouwelijke instructeur. Geen kogeltje in de lucht, alleen een stralend zonnetje waar ieder van geniet. Dwars door de uitleg heen begint ineens uit de moskee en vermoedelijk ook door de zendmast de moskee te zingen. Oproep tot gebed? Uitleg van de Koran? Ik versta geen Arabisch, dus kan blijven gissen.
Ivriet, het hedendaagse Hebreeuws, spreek ik evenmin. Gisteren zijn we in dit conflictueuze Israel aangekomen, en 's morgens vroeg in een instaptaxibusje van vliegveld Ben Goerion bij Tel Aviv naar Jeruzalem gereden. De radio stond continu aan en het was duidelijk dat het over de situatie van Israel en de Palestijnen ging, want we hoorden bekende woorden, Palestinians en nog eens Palestinians, maar ook Abu Mazen en soms " terroor". Het was duidelijk dat de onderlinge verhoudingen ook in Israel een grote rol spelen, ook al verstonden wij dat nieuws en bijbehorend commentaar niet. Naast ons een busje met orthodox joodse kindertjes, die zondagmorgen vroeg naar school werden gebracht, want in Israel valt de sabbath op onze zaterdag. Vriendelijk tafereeltje, beetje Volendam ook, al die pijpekrulletjes van de kinderen.
's Zondagsmiddags lopen we door de oude stad en we verbazen ons over de rust in de straten van de oude stad. De gevolgen van het toerisme dat het af laat weten zijn duidelijk te zien. In de Palestijnse steden zal het hectischer zijn. De vraag is in hoeverre deze rust slechts een pauze in de voortdurende stormen van geweld is. "Wat verwachten jullie van Abu Mazen", vragen we een Palestijn. "Wacht veertien dagen", zegt hij, "dan weten we het". Een ander zegt dat het westen te veel van Abu Mazen verwacht. Hij kan niet zoveel doen. Zelf verwacht hij zeker voor de Palestijnen geen grote verbeteringen. Een ander grapt dat de verkiezingsinkt nog altijd op zijn duim zit. Ze hadden beloofd dat het er na 72 uur af zou gaan.
's Avonds praten we met de direkteur van Libraty on wheels, een rijdende bibliotheek, vooral voor scholieren. In de geest van Ghandi gaat het om het bevorderen van "non-violence and peace", maar voor het overige worden er gangbare boeken uitgeleend. Door de roadblocks van de laatste Intifada kwamen de boeken niet terug. De bibliotheek moest sluiten. Nu wordt er met subsidie van particuliere organisaties in Nederland in 2006 opnieuw begonnen. De bibliotheek gaat dan op bepaalde hoofdroutes rijden en in de afgesloten steden komen "boekverdelers".
Onze gastheer is principieel voorstander van non-violence, maar hij zegt ook dat het de enige mogelijkheid is. In Israel is onlangs weer een conferentie geweest van Israelische studenten en Palestijnse, beiden vermoedelijk toekomstig bestuursambtenaar. "Steunt Israel non-violence?" Dat is immers nieuws voor ons. Hij vertelt dat het Israelische ministerie van religie in zo'n geval beslist dat de studenten gaan.
Op de muur geeft hij zijn ironisch commentaar. "Uit de bouw ervan blijkt", zo zegt hij, "dat het leger faalt, want het kan Israel niet verdedigen". Zelf denk ik aan de Palestijnse aanslagen die van die muur toch ook weer een gruwelijk lachertje maken. Bedenk maar wat de mensen hier overkomt, of het nu Israeli zijn of Palestijnen. Ik zal de komende twee weken vermoedelijk minder rustige dagen meemaken dan deze eerste twee.